Laatste delen van: "M'n eerste liefje"

XVII

Onverhoeds stokte de macaber-kolderieke optocht. Drie gebaarde mannen, gekleed in een lang bruin gewaad, waren resoluut de kapel ingestapt. Ik haalde ongewild opgelucht adem: deze mannen, duidelijk behorend tot de kloosterorde, vormden door hun doelgerichtheid een standvastige tegenpool in gans deze psychotische bombarie.

Al vlug moest ik m'n mening herzien: het leek of ze uit alle macht onder hun drieën het wereldrecord kruistochtlopen wilden breken waarbij de achterste met moeite de middel-ste bijhield die op zijn beurt de voorste op de hielen zat. Plots bleef de koploper stokstijf staan met z'n blik strak gericht op het altaar en zeeg neer met wijd gespreide armen. Hierbij viel het bruine deken af dat hij blijkbaar over z'n pyama had geslagen. Nauwe-lijks raakten z'n knieën de grond of hij liet z'n stijfgespannen bovenlijf vervaarlijk voorover hellen. Net vóór de pyama-pater pardoes op z'n gezicht zou vallen, pakten de gewijde confraters hem bij z'n armen en zetten hem op de dichtstbijzijnde bank. Ze keken mekaar even goedkeurend aan met een blik van ingewijde verstandhouding en gingen elk op weg naar het volgend bedrijf in dit zonderling wekelijks ochtendritueel.

Volkomen in de ban geslagen door dit buitenissige gedoe, zocht ik op de tast een plaatsje naast José. Verbaasd merkte ik Bram op die stilletjes naar voren was gelopen. Hij ging zitten naast een stokoude vrouw. Zij had de blinde desolate blik van een halfvergane wassen beeldenpop. Even twijfelde ik nog... De gelijkenis was dan ook ver te zoeken tussen dit gebarsten gipsen afgietsel en de stralend opgewekte volksvrouw, trots bruisend van levenslust: de foto boven de koekjestrommel... Als Bram er haar niet feilloos had uitgekozen, had ik haar vast niet herkend. Als gewoonlijk wanneer hij zich veilig voelde bij iemand, nestelde hij zich dicht tegen haar aan, waarbij hij haar willoze arm zelf over zich heen sloeg. Het leek wel alsof hij zich in het kiekje nestelde dat Saartje in het tulpenhuis had opgehangen.

Een misdienaar sloeg zachtjes tegen een kleine gong. De donkere klank vulde zinderend de kapel.

Bram schurkte zich lekker tegen haar aan... alhoewel, er klopte iets niet... er was iets raars aan de hand met hem... Saartje's oma had zich een weinig schrijlings over hem heen gebogen en het leek nu of Bram zich trachtte los te wringen uit haar omarming.

Ik liep snel op hen toe. In haar hand waarmee zij Bram haast in een wurggreep omklemde, zat één van z'n kartonnen visitekaartjes. Op haar wangen bungelden enkele dikke tranen. Ze staarde naar een punt ergens hoog achter me en leek gespannen naar iets te luisteren.

Ik boog me naar haar toe en keek haar in de ogen. Met een waanzinnige schok realiseerde ik me dat Bram gekneld zat in de omarming van een dode...

Ik pakte Bram beet en sleurde hem vanonder haar arm weg. Levensloos viel ze opzij met het hoofd op de knieën van haar gebuur die abrupt in een schelle hinnikende lach schoot.

Met de doodsadem nog in z'n nek snelde Bram de kapel uit. Ik wou hem achterna maar werd plots langs achter vastgegrepen. Het was José die verwilderd neerstaarde op het stoffelijk overschot van haar enig overgebleven vriendin.

M'n hoofdwond begon weer pijnlijk te kloppen en er begon iets te stotteren in m'n kop. Alle waanzin, geconcentreerd in dit verdoemde kapelletje, werd met kannen en kruiken naar binnen gegoten via het gapende slokkende kruisje op de kruin van m'n hoofd. Met José op m'n rug vastgeplakt, strompelde ik naar de melkglazen witte deur, naar de gouden lettertjes, naar het 'gelukskamertje' , het 'Privé', waar ik al het opgeslokte duivelsgebroed in me ging uitschijten en doortrekken!

Ik merkte dat ik geen adem meer kreeg en moest José's verstikkende armen van m'n hals aftrekken. Ze gleed van me af en bleef jammerend op de grond liggen. Ik probeerde haar zwijmelend nog naar buiten te slepen, maar twee ziekenbroeders namen haar rustig, doch zeer beslist van me over en droegen haar luid kermend de kapel uit via de zijdeur. Saartje's oma was blijkbaar intussen ook reeds afgevoerd.

De celebrator zette prevelend het openingsgebed in en de zondagsmis begon met slechts enkele minuten vertraging. Onverzettelijke efficiëntie als wapen tegen onverbiddelijke waanzin.

Bram had gelijk: ik moest hier weg en wel zo snel mogelijk! Hij stond al aan de klinkloze straatdeur en bonkte er verwoed met z'n knuisten tegenaan. Wiske had van gans het gebeuren in de kapel blijkbaar niks gemerkt (ik vroeg me af of ze dat ooit wel deed) en slaakte een zucht van opluchting toen ik de hall binnen kwam.

"Oh, gelukkig bent U daar! Ik wou u niet storen tijdens de viering ziet U."

Ze was duidelijk de kluts kwijt door het gedrag van Bram. Ik stelde haar op haar gemak.
"Nee nee, 't is goed. Hier is het veiliger... ik bedoel... eh... we willen naar buiten, kan dat?"
"Ja natuurlijk! Ik zal even op het knopje duwen, maar wacht U niet even op die oudere dame?"
"Eh, nee... Ze heeft haar vriendin gevonden..."

Walg! Hoe kon ik in 's hemelsnaam zoiets uit m'n strot krijgen! Nauwelijks een halfuur geleden had ik mezelf plechtig voorgenomen om voor haar zorg te dragen en beloofd haar terug thuis te brengen! Ik kreeg zin om ook op die deur te gaan bonken. Met een elektronisch zoemgeluidje knipte de deur van het slot en zwaaide ze tergend langzaam open. Nog vóór ik er een hand tussen kon krijgen, was Bram al de piste uit. Helemaal overstuur en gedesoriënteerd wankelde ik naar buiten.

XVIII

Waar naartoe? Naar Saartje? Het idee alleen al! 'Hallo Saartje, ben even een ochtendwandelingetje gaan maken. José heb ik huilend achtergelaten in 't gesticht en Bram is spoorloos verdwenen nadat hij bijna was gestikt tussen de armen van je inmiddels overleden oma. Wil je sandwiches of broodjes bij je ontbijt?'

Ik kreeg een rotte vieze smaak in m'n mond en zocht bevend steun aan de natte muur die lekker fris aanvoelde. M'n kop zat barstensvol als een stoompot onder druk waarvan het fluitje vastgeroest zat. M'n longen hapten als een dolgedraaide pomp lucht naar binnen.

Er glipte iets van tussen m'n handen weg. Zonder het te beseffen had ik al die tijd nog de bruine papieren zak vastgehouden met José's fotoalbum erin. De zak was stuk gescheurd en de album viel er nu uit op de blinkend natte straatstenen. De wind sloeg één voor één de gebarsten kartonnen bladen om en de foto's dwarrelden alle kanten uit. Op de koop toe begon het terug te regenen. Op handen en knieën begon ik dan maar de foto's bij mekaar te grabbelen.

Halverwege gaf ik het op: de plaatjes waren stuk voor stuk verslodderd. Moedeloos bekeek ik het geredde stapeltje dat als één natte koek aan mekaar plakte. Het was allemaal zo duidelijk hopeloos. Ik had zelfs geen zin meer om recht te staan en kroop naar een bloemperkje onder de beschutting van een erker waar ik met de rug tegen de muur van het gesticht ging zitten.

Met halfgesloten ogen legde ik m'n barstende hoofd tegen de koele gladde muurstenen en keek recht in de gapende mond van een uitbundig lachend cupidootje dat met z'n potsierlijke wangetjes boven me uit de muur kwam piepen.

Eindelijk... ik werd kierewiet. Het engelengedrocht begon waarempel koketterende geluidjes te maken. We gaapten mekaar versteend aan, allebei verkleefd in deze muur van waanzin. Ergens diep in de ingewanden van het ding borrelden de rochelende klanken op van één of andere levende oerprut, een schimmige brei van alle verdoemde hersenspinsels die zich gedurende jaren achter deze gladde muren hadden gesedimenteerd in een stinkende vergeetput en nu kotserig en hongerend een weg naar buiten wrongen door dit gapende engelengat. Een gulp ijskoud vocht spoot vanuit de waterduivel recht in m'n gezicht.

Even verderop kwam een bus de straat ingedraaid. Kennelijk lag het gesticht heel toepasselijk vlak bij de terminus, want aan het stuur zat de heer de Boer die bijna van z'n stoel veerde toen hij me in de gaten kreeg. Haast stapvoets kwam hij langs me gereden en staarde me onverholen aan met een hartsgrondige verachting in z'n blik. Plots schoot hij in een bulderende lach en stoof plankgas weg.

Ik kon het hem niet kwalijk nemen: wat kon nog lachwekkender zijn? Zoals ik daar zat, tussen de muurbloempjes van het gesticht, ondergespuwd door dat stenen blaasbalgengeltje.
De nattigheid maakte van de foto's een soort van miniatuuraquarelletjes. De kleuren van een heel mensenleven losten zienderogen in elkaar op tot wat vodjes kleffig papier. Schreiend zocht ik de foto met Saartje en Tom erop. Eindelijk vond ik ze terug: ze zat gewoon nog in het album. Door de regen begon de lijm in de rug en de kartonnen kaftbladen te lossen. Voorzichtig plukte ik de foto uit de fixeerhoekjes.

Op de achterkant zat dichtgevouwen een briefje geplakt. Het was nog niet aangetast door het vocht, maar het briefje was zo oud dat het nauwelijks te ontcijferen was.

 

 

José,

Er schieten me woorden tekort om je te vertellen wat een geweldig idee ik dit vind. Met jouw kordaat sturende hand en de goedlachse blijmoedigheid van je man zal 'Chez José' algauw een plek worden waar de vriendschap van gans de buurt jouw levensgezel wordt.

Het kind waarnaar je jaren hebt gehunkerd, het verdriet dat je tot wanhoop dreef toen het maar niet wilde komen terwijl m’n Liza ter wereld kwam, de jarenlange berusting en dan de oude wonde die terug open scheurde met de geboorte van Tom en Saartje... ik wéét het!

Maar de ontstellende vreugde waarmee je het meterschap over Tom en Saartje hebt aanvaard, geeft mij de broodnodige levenskracht nadat ik m’n liefste Liza heb moeten afstaan op haar kraambed. Sindsdien was jij de sterkste en was jij diegene die me altijd terug kon opbeuren als ik het te kwaad kreeg.

De liefde waarmee je Tommetje en Saartje omringt, straalt vanuit dezelfde plek in je hart waarin ooit het verterend verlangen naar een kind zich had ingevreten.

Zoals je van deze plek een thuis maakte voor jezelf, voor Tom en Saartje en voor mij, zo ben ik ervan overtuigd dat je ‘Chez José’ tot een hartelijk toeverlaat zal maken voor allen die het noorden kwijt zijn of gewoon een bakje troost en wat vriendschap zoeken.

Met jouw achter de tapkast zal het voor vele anderen van de buurt een waar plezier zijn om op het leven te klinken!

Je liefste vriendin,

Martha


Ik las het briefje nog een keer... en nog een keer... en zag in flitsen een verleden opborrelen uit een moerras van wanhoop en verdriet.

 

Saartjes oma, die eerst haar dochter en enkele jaren later haar kleinzoontje had moeten afstaan. Martha en José, twee hartsvriendinnen, gelouterd en gesterkt door mekaars hunkering naar leven, een vastberaden verlangen, zó sterk dat het tenslotte een prooi werd van waanzin tot in de dood.

Hoe sterk mag een mens dan wel worden? Als je eigen wanhoop en verdriet zich alsmaar verder uitkristalliseert tot het enige dwaallicht in een donkere eenzame tunnel, heeft het dan nog zin om hardnekkig je krachten te bundelen, als je daarmee jezelf tot ver voorbij de grenzen van de waanzin plaatst? In het land der krankzinnigen komt de sterkste waarschijnlijk het verst.

Daar moest ik me dus alvast geen zorgen om maken, bedacht ik grimmig. Verder dan het randje (van wat dan ook) kwam ik immers toch nooit. Alhoewel, de laatste dagen had ik een onbevroede kwaliteit ontdekt in mezelf: ik kon de zaken behoorlijk grondig verprutsen.

Dit was een ontnuchterende gedachte. Hier zat ik, Samuel 'De Rechtvaardige', zeer bedreven in het ingenieus fabriceren van de meest vernietigende oordelen over mensen die als ware helden door het leven zijn gegaan en wiens getuigenissen hier verstrooid rondom me lagen.

Als ik geen hartgrondige hekel aan mezelf wilde krijgen, dan moest ik nu opstaan en datgene doen wat helden in zulke omstandigheden plegen te doen: José terug halen uit dat verduiveld gesticht!

 

XIX

Vastberaden stevende ik terug op de toegangspoort af, die tot m'n verrassing net op dat moment werd open geduwd door een kolossaal dik mens met een kruisje op haar gladgeschoren kruin.

"Mik???, wat doe jij hier?!"

Ze keerde zich zó verbazingwekkend snel om dat het leek alsof ze slechts haar hoofd en voeten 180° had omgedraaid: ertussenin was geen verschil te merken. Ze was helemaal buiten adem.

"Ha Steert, gelukkig! Ik dácht al dat je hier zou zijn! We zijn jullie allemaal aan 't zoe-ken."

Terwijl ze naar adem hapte, keek ze even zoekend in 't rond.
"Waar is José en Bram?" "José... ?
Wel euh... zij... ik...“
Waar moest ik in ‘s hemelsnaam beginnen? "We zaten in de bus en toen..."
Miljarde! Ik had hier geen tijd voor! Ik had al binnen moeten zijn! Maar Mik blokkeerde gans de poort en uit ervaring wist ik dat alleen dynamiet of deskundig lobbyen dit probleem zou kunnen oplossen.

"Mik, laat me asjeblieft door. Ik zal het later wel uitleggen."
"Dat jullie in die bus zaten," hijgde ze hortend, "dat weet ondertussen al de halve stad..."
Ze bekeek me langzaam van top tot teen. "Maar Sam, als je zó hier naar binnen gaat, kom je d' r van je leven niet meer uit! Wat hebben jullie eigenlijk uitgevreten? Heb je een modderbad genomen of zo? En die ver-pieterde foto's die overal op je kleren plakken..." Ze plukte er ééntje af en bestudeerde het plaatje nauwkeurig.

Langzaamaan veranderde haar voorhoofd in een driedubbelgevouwen matras.
"Zeg, maar... dat... dat is er ééntje van José!"
Ze bukte zich een weinig (tenminste, er leek toch iets in te zakken) en keek hevig geïnteresseerd naar m'n kletsnatte bemodderde broek. Plots graaide ze me vast en draaide me als een voddenpop alle kanten uit tot ze alle foto' s van me had afgegraaid. Ik voelde me als een kaduke grabbelton op een uit de hand gelopen kinderfeestje.
Ze hield, nog steeds hijgend, haar gezicht vlak tegen het mijne. Oh help! Als dit zo verder ging zou straks zelfs een toepetje niet meer toereikend zijn... Ik wou haar net in herinnering brengen dat ik onder de hoge bescherming stond van 'de Snaar', toen haar blik iets suikerzoet kreeg... iets... cupido-achtig.
Verschrikt deinsde ik achteruit. In theorie was ik een altruïst: ik had er namelijk niks op tegen dat iedereen van me hield, maar euh... wel, als iederéén dit principe in praktijk ging toepassen, waar gaat het dan naar toe hé? Niet?
Ze begroef m'n schouders onder haar handen, keek me fluweelzacht aan en veranderde me in een piepkuiken. Komen wat komen moest...

"Steert, vertel es, wat is er nu precies gebeurd? Waar zit José? Ze kent haar weg niet meer in de stad. Wie weet waar ze terechtkomt, je moet het me vertellen, joh. Dan gaan we haar samen zoeken, ok?"

Haar overstelpende bezorgdheid, haar verpletterende kameraadschappelijk gebaar waarmee ze m'n schouders zowat ontwrichtte, de overdonderende steun die van haar afstraalde... Het brak me allemaal op.
''Wel, we zaten dus samen op de bus en toen gooide de Boer ons d'r uit en toen werd José héél chagrijnig en tikte hem met haar paraplu op z'n kop en euh... en toen durfde ze hier eerst niet naar binnen maar ik beloofde haar terug thuis te brengen en toen moest ze naar 't Privé en Bram trok me mee naar binnen en daar zat Martha en toen gaf Bram z'n visitekaartje en toen viel ze dood en toen hebben ze José van me afgepakt en toen... euh... en toen is Brammetje weggelopen en is de zak gescheurd en vielen alle foto's op de grond en toen ben ik maar onder dat cupidootje daar gaan zitten... en euh... en toen wou ik José gaan redden... Dus... wil je me nu asjeblieft, asjeblieft! binnen laten?"

Mik's mondje was intussen gestadig blijven open zakken waarbij de vetplooien van haar voorhoofd als een harmonica naar haar hals verhuisden. Zo meteen kon hier een mijnwerker aan de slag om de zaak te stutten. Haar onderkaaksbeen verdween geleidelijk in het trekorgel dat dapper nog een geluidje produceerde: "Huh... ???", waarbij haar oog-jes heftig begonnen te knipperen.

De poort werd van binnenuit verder opengetrokken. Een verpleegster alias hostess, gekleed in een hagelwit leuk deux-pièces uniform nam ons vriendelijk op.
"Kan ik iets voor je doen?"

Haar uitnodigende arm bleef halverwege richting Mik even doelloos in de lucht hangen, maar zonder een krimp te geven veranderde ze spoorslags van strategie en richtte zich inviterend tot mij. Het was gewoonweg meesterlijk hoe ze me in één lieflijke oogwenk taxeerde, waarna haar hand in één vloeiende beweging weer van koers veranderde en een onzichtbaar haarlokje onder haar leuk hoedje stopte.

Mik had zich kennelijk omgedraaid (ik controleerde stilletjes de positie van haar voeten) en haar mond sloeg met een duidelijk hoorbare klap dicht, gevolgd door de echo van een verschrikt hikje dat haast verlegen ontsnapte uit het kersrode mondje van onze hostess. Ik vermoedde dat de onthaalbrochure manifest tekort schoot inzake zulke situaties.

Haar hartelijke charmante oogopslag bevroor in een uiterst professionele glasharde glimlach waarmee ze ons afstandelijk inblikte.

"Komt U iemand opzoeken?", vroeg ze me poeslief met een ondertoon van 'knibbel-knabbel-knuisje'.
"Eh, ja... 't is te zeggen, we komen voor José."

Onderwijl keek ik langs haar heen de inkomhall in. Wiske was nergens meer te bekennen. Waarschijnlijk had ze haar dienst erop zitten. We moesten het dus stellen met onze 'professional'.

"José? José wie?"
Jakkes, dat was een goeie... Misschien dat Mik... Ik keek haar hoopvol aan, maar zij had zich getransformeerd in een onneembare vesting, een van rantsoenen uitbulkende donjon, klaar om een eeuwenlang beleg te doorstaan.
Tja, José wie???

“Wel, José van 't café hé", klonk het zwakjes.
Dit deed haar duidelijk deugd. M'n weinig assertief en hulpeloos gemompel had kennelijk de deuk hersteld in haar glad imago van dienstvaardig hulpverleenster.

"Ik zou je graag willen helpen, maar ik vrees dat er wel minstens vijf José's opgenomen zijn. Van 't café zei je? Is zij misschien opgenomen met een drankprobleem? Dan zou ik de dossiers kunnen..."
“Nee, nee!", onderbrak ik haar vlug, "Het is háár café en ze dronk alleen maar erwtensoep, geloof ik."
"Erwtensoep hé?", ze keek me meelevend aan. “Nu ja, als het haar eigen café was, geef me dan even het adres, dan kan ik haar zo ook opzoeken."
Adres???
“Heu, ja dat... dat weet ik eigenlijk niet, eh, 't is in die straat recht over het tulpenhuis van Saartje 's oma..."
Pfff, neen, dit liep niet goed...

"Dus alles wat je weet is dat je een zekere 'José van ’t café’ komt opzoeken?"
Haar stern klonk ietwat geïrriteerd.
"Wélk café dan?"
Dat was een makkelijke!
"Chez José!", flapte ik uit.
Ze keek me aan en leek zich af te vragen of ik wel aan de goeie kant van de deur stond.
Met een vriendelijk soort tolerant sarcasme vatte ze het even voor me samen.
"Zo zo, je bent dus op zoek naar José van 't café 'Chez José' recht tegenover één of an-der tulpenhuis van de oma van een zekere Saartje.”

Als was ik haar kleine kapoen die haar net een ondeugende schelmenstreek had verkocht, vermaande ze me met een zwaaiend vingertje: “Je maakt het me niet gemakkelijk hé?”
Het zwart gelakt wijsvingernageltje verhuisde peinzend over haar kersrode lippen. Eens kijken... Je weet zeker ook niet wanneer ze is opgenomen?"
"Ja ja, dat weet ik! Nog geen halfuurtje geleden!"
“Tiens, daar is me niets over bekend. M'n collega die vanmorgen dienst had, heeft me daar niets over verteld."
“Neen, dat kon ook niet want ze wist er niks van. Ze hebben haar van me afgepakt in de kapel nadat Bram Saartje's oma dat visitekaartje had gegeven en... en... "

Het groeiend wantrouwen waarmee ze mij opnam, maakte me duidelijk hoe compleet zinloos m'n heldhaftige voornemen om José te 'redden' eigenlijk wel was. Moedeloos stak ik m'n handen in m'n zakken en voelde plots het kaartje.
"Hier! In deze straat is haar café!", wijzend op de halfvergane lettertjes.
Ze nam het kaartje van me over en bestudeerde het nauwlettend. Ze fronste niet begrijpend haar geëpileerde wenkbrauwen.
"Maar, dat is... Bent U dan familie van haar? Ik heb net nog haar kleindochter verwittigd. Trouwens, ze heette toch Martha, niet?"
"Ja ja, natuurlijk! Maar José niet hé! José heette... ik bedoel heet... eh..."
Ja, 'José' natuurlijk. Driedubbele stomkop!
Zei ze 'haar kleindochter'? Nondemiljarde! Straks stond Saartje dus hier...

Godallemachtig! Wat een soep! Er ontplofte iets in m'n kop.
"Luister es hier, arrogant geval! Of dat ge 't nu snapt of niet, José gaat met mij terug naar haar café, begrepen?! In plaats van hier te staan leuteren, zou je beter eens bellen naar euh ... hoe heet dat?... je moeder-overste of zo... nee, abt bedoel ik, enfin ja: je baas. Die zal wel weten over wie ik het heb!"

Ze keek me spottend aan. "Dus U wil dat ik 'moeder-overste' bel om hem te vragen waar jij het over hebt?"
Er begon me iets te dagen: vóór deze fijnbesnaarde cipier me in dit huis der barmhartigen zou toelaten, moest ik haar eerst m'n totale ontoerekeningsvatbaarheid bewijzen. Een contradictio in terminis.

Er was iets aan de hand naast me. Het was meer een gevoel van een naderende aardbeving. Ik keek naar Mik en deinsde achteruit. De donjon was veranderd in één van Hannibal's ten strijde trekkende olifanten.
Ze greep onze 'professional' bij haar revers en tilde haar met gemak van de grond. Als een vulkaan flabberde ze brullend een paar liter speekseldruppels over ons lijkbleek geworden hostesje.
"Ge hebt het toevallig tegen MIJNE vriend, gesnapt?!! En als die bruinsmoelkikkers José van MIJNE vriend hebben afgepakt, dan gaat het kot hier te klein zijn, gesnapt?!! Dus bel die moeder-dinges nu maar als de gesmeerde bliksem op, GE-SNAPT?!!!"

Onze 'professional' had het gesnapt. Ze vluchtte hals over kop naar haar glazen bureeltje en begon paniekerig te telefoneren.

Dát deed deugd zeg! Met Aïda's klaroengeschal schetterend in m'n oren, betraden we samen het bastion. Operatie 'José' was eindelijk gestart! We keken mekaar zegevierend aan: Mik en ik. Haar linker wenkbrauwkwab zakte even weg over haar oog in een diepe omwalling eronder: een triomfantelijke knipoog! Dit was pas échte kameraadschap! Samen gingen we deze klus even klaren.
We keken smalend neer op onze verkreukelde deux-pièces prof. Het telefoongesprek was blijkbaar afgelopen. Versteend van schrik staarde ze Mik aan, de hoorn nog tegen haar oor geklemd als een laatste reddingslijn.

Mik deinde dreigend op het glazen hokje af.

"Leg neer dat ding, verdomde lafbek! Denkt ge dat ik ooit, al was 't maar ene keer, heb mogen bellen toen dat ik in de puree zat in dat kindergesticht?!! Leg neer dat ding!!!"

Ze plakte haar gezicht plat tegen het glas, dat hierdoor helemaal bol op z'n breekpunt kwam te staan. Van Mik zag ik alleen maar haar massieve rug, maar te oordelen naar de reactie van ons hostesje was zij meer gesteld op een wat rustiekere aanblik.
De huid rond haar kersrode lipjes werd zo wit als sneeuw en langzaam zakte ze weg in haar glazen kist. Daar lag ze: stil ademend, totaal ongenaakbaar. Ze moest volmaakt gelukkig zijn.

Een tikkeltje ongerust vroeg ik me af in wat voor gedaante haar prins tevoorschijn ging komen. We hadden dan wel onze eerste slag thuis gehaald, maar de manier waarop maakte de zaak wel nog iets gecompliceerder. Hoe moest ik dit nu weer verklaren?
Trouwens, verklaringen in een gesticht?!
Ik zag het al voor me: 'Goeiedag, ik ben Duimelijntje en kom samen met Holle Bolle Gijs ons grootmoeder redden uit deze middeleeuwse baktaart. Sneeuwwitje hebben we al uitgeschakeld en als je ons niet ogenblikkelijk binnen laat veranderen we je in een cupidootje!'
Succes verzekerd! Ongetwijfeld de meest efficiënte manier om zo snel mogelijk binnen te raken, iets wat me echter hoe langer hoe minder aantrok.

Plots bedacht ik dat we nú al in de val zaten. Waar zat dat knopje waarmee Wiske de voordeur had geopend?

XX

Op dat moment werd de deur naast het glazen bureeltje krachtig opengegooid door een voortvarende sinjeur in kostuum met de gesikte kin in de aanslag, gevolgd door twee bodyguards in het wit zónder kin.
Het heerschap nam ons even koelbloedig op, speurde vluchtig de hall af en nagelde ons vast met een ijskoude blik.

Z'n stijf toegeknepen lippen maakten het duidelijk: ik mocht nog een laatste wens doen.
Stamelend deed ik dat: "Eh... Kunt U misschien even op het knopje duwen?"

Als bij wonder, werd op dat moment achter ons de voordeur opengeduwd en knipperden twee lodderogen de hall in. Ik herkende hem: het was DJ, het muzikale genie van de bende. Alleen hij kon de juke-box tot leven wekken zonder er geld in te stoppen.
"Ha Mik! Hebt ge ze gevonden?"

Zonder een antwoord af te wachten, draaide het loeder zich om en floot schril tussen z'n vingers.
"Hey, mannen! De Dikke had gelijk! Ze zitten hier in 't gesticht!"

Al gauw wemelde het in de hall van een allegaartje van halfverlopen figuren. Het was of een buslading van aan lager wal geraakte toeristen even genietend de benen kwam strekken op een vaste vertrouwde plek. De renovatie van het gebouw werd ijverig be-commentarieerd en de directeur werd van alle kanten hartelijk begroet als 'de champetter'. Blijkbaar had hij ook een bloeiende privé-praktijk als zielenknijper. Heel de bende kwam gezellig rond hem staan. Langzaam aan verstomde het goedlachse gekeuvel en ieder keurde hem met een soort eerbiedig smalende pret.

De directeur schraapte z'n keel en zocht naar de juiste woorden. Ik verwachtte stellig een uiteenzetting over het ontstaan en de geschiedenis van zijn dierbare gesticht. Ik zag hem in gedachten al bladeren door de lijvige historische annalen in het archief op zoek naar de markantste anekdote. De zwijgende verwachting in de groep steeg ten top toen hij eindelijk de juiste aanhef scheen te hebben gevonden: "(schraap)... Kan ik iets voor jullie doen?"

Zo, dat was het dus. De deskundigheid waarmee zowel Wiske C. als Sneeuwwitje en nu ook de directeur ons met deze geijkte frase wisten te verwelkomen, deed me vermoeden dat dit het geheim was van een succesvolle sollicitatie als hulpverlener binnen deze muren, onder het motto: 'Stel jezelf open voor elke bezoeker'.

Een curieuze vorm van klantenbinding, zou je kunnen zeggen: het is slechts een kleine denkstap van 'bezoeker' naar 'gast'. Binnen het gesticht krijgt elke zot de titel van 'gast' opgespeld met mijnheer de directeur als ervaren gids; zet je echter een voet buiten de deur, dan verandert elke 'gast' in een zot met 'de champetter' voorop. De directeur, alias ‘champetter’, duidelijk nog iemand van de ouwe stempel, zat kennelijk verveeld met deze lichtelijk schizofrene situatie: deze bende bezoekers stond bij hem immners geboekt als gasten, maar nu zij aan de andere kant van de muur stonden bleken het plots dan tóch een hoop gekken te zijn. Waar sta je dan als directeur?

Vroeger was de voor de hand liggende oplossing even makkelijk als doeltreffend: 'Col-loceren heel die handel!' Zo maak je van de zot terug een gast, van de champetter een psychiater en klaar is Kees. Maar sinds de anti-psychiatrie roet in het eten had komen gooien, moest mijnheer de directeur het dus zien te redden als 'champetter', een stiel die hem in andere tijden waarschijnlijk beter had gelegen. Maar ja, de tijden veranderen hé. Een jonge dynamische kracht biedt dit soort confrontaties het hoofd met flexibiliteit, maagpoeders en stressballen (wat stellig een belangrijke oorzaak is voor de daling van het geboortecijfer); een meer conservatief ingestelde 'champetter' wordt er brutaalweg door verkracht. Het resultaat is veelal hetzelfde (en niet alleen aangaande het effect op het geboortencijfer): er komt een moment waarop de heilige koe der 'vooruitgang' je mét of zónder stressballen vermaalt en herkauwt tot compostgek waar dokters, ziekenhuizen en inrichtingen zoals dit gesticht welig op tieren. En is het dan niet heel normaal dat je in zulke bedreigende situaties naar een houvast zoekt en dus naar het boekje grijpt?

"Kan ik iets voor jullie doen?"
Geruggesteund door zoveel mankracht, deed ik kordaat een stapje naar voor.
“Wel... we komen José terughalen... Zij kwam hier gewoon iemand opzoeken, weet je, maar tijdens de mis raakte ze van de kaart. Ze moet hier helemaal niet opgenomen wor-den, ziet u... Ze mankeert echt helemaal niks hoor! Ze raakte alleen wat overstuur. En toen hebben ze haar weggedragen... waarschijnlijk per vergissing, want ze kwam gewoon haar vriendin opzoeken..."

De directeur viel me zuinig en gedecideerd in de rede.
"Dank u, ik ben reeds op de hoogte gesteld."
Van onder z'n borstelige wenkbrauwen keek hij me scherp onderzoekend aan.
Hij vernauwde z'n blik om de leugendetector erachter te verbergen.

"Bent u Sam?" Ik staarde hem perplex aan en was op slag op m'n hoede. 'Ontkennen!!', fluisterde het sissend door m'n kop. 'Alles ontkennen!! Hij kan niks bewijzen!'
"Eh... waarom?"

Ik kreeg spijt van het stapje dat ik naar voren had gezet. Wat minder kordaat, maar min-stens even vlug, beende ik terug achteruit en trapte op Mik's voetjes.
Nu had ik al tijdens enkele catastrofale danslessen aan den lijve moeten ondervinden dat meisjestenen zowat de enige plek van de vrouwelijke anatomie zijn die je rechtopstaand ten allen prijze moet vermijden.
Na twee danslessen boordevol stuntelig voetenwerk was ik helaas nog niet verder gekomen in m'n exploraties naar 'de andere kunne' dan enkele fijngevormde vingerafdrukken op m’n kaak.
Mik vormde op deze regel geen uitzondering. In een reflex schoot haar knie omhoog en belandde ik haast in de armen van de champetter.

"Jazeker mijnheer de champ.. heu… directeur bedoel ik, dat ben ik, ik ben Sam!"

"Kijk eens hier Sam, de plotse dood van haar vriendin was inderdaad een zware schok voor haar. Voor zover ik haar kan inschatten, heeft ze een sterke persoonlijkheid, maar ik vrees dat deze onverwachte gebeurtenis haar binnenin heeft gebroken."

Deze korte mededeling sloeg m’n kornuiten in verwarring. Met open mond staarden ze wat onnozel naar de champetter. Deze keek me bezorgd aan.

"Het zou goed zijn als er iemand enkele dagen op haar kon passen, zij zit in een zware depressie, zie je. Volgens haar eigen zeggen woon jij samen met de kleindochter van haar overleden vriendin. Een zekere Sarah, dacht ik. In deze omstandigheden lijkt het me beter dat ik eerst met háár overleg pleeg, vind je niet?"

Met tegenzin moest ik toegeven dat dit meer dan redelijk klonk. Wie weet hoe Saartje de dood van haar oma zou verwerken en wie moest er dan op José letten?
De directeur nam me vertrouwelijk bij de arm.

"Ik heb met mevrouw hierover net een gesprek gehad en zij is het erover eens. Ze gaf me deze sleutel. Ik moest hem aan jou geven. Het is de sleutel van haar privé thuis. Ze vroeg of je zolang de plantjes water kon geven."

Wat verbaasd nam ik de sleutel van hem over. Plantjes? Water? Haar 'Privé'?
DJ stootte me aan en gaf me een knipoog.
"Niet te véél water, hé!"
Zowat tien paar ogen keken me verwachtingsvol aan... jaja... de plantjes...
Verdraaid! Dit was wel het beste bewijs dat José nog wel degelijk wist waar ze het over had! De champetter zou me natuurlijk nooit de sleutel van een café hebben gegeven.

De directeur was nog zo'n slechte kerel niet.
"Luister Sam, je hoeft je absoluut niet verplicht te voelen. Ik kan zoiets makkelijk rege-len via onze administratieve diensten. Desnoods laat ik die plantjes wel even ophalen en kunnen we ze hier...”
Er steeg een gesmoord gegiechel rondom me op. Mik gaf me stiekem een por.
“Nee nee," haastte ik me te zeggen, "dat is het niet, ik zal wel voor die... eh... plantjes zorgen, hoor!"
Voilà, daar had je het. Ik had me zonet bevorderd tot kroegbaas.
"Eh... kunnen we haar misschien even opzoeken, denk je?"
"Ik vrees van niet: ze slaapt momenteel. Maar je kan morgen de receptioniste even bellen. Zij kan je steeds inlichten over haar toestand."

Ach ja, de receptioniste... haar toestand...
Ik keek schuin naar het glazen hokje. Gelukkig! Ze was weer boven water gekomen.
Ze zag er eigenlijk best leuk uit met haar nieuwe zwevende look: ‘glacé à la vanille’. Enige antidepressiva zouden hier stellig wonderen doen.

Ondertussen kreeg ik een stuk of wat kameraadschappelijke armen om m'n schouders geslagen en drong de bende me met ingehouden gegrinnik naar de buitendeur.
Te horen aan het stotterend gezoem van het elektrisch slot was Sneeuwwitje ons liever kwijt dan rijk en al gauw stond ik in de regen op het voetpad, omringd door een troep halve garen die bulkten van het lachen.

XXI

En daar kwam Saartje spierwit de hoek omgeslagen, haar fijnbesneden gelaatstrekken als een wassen spiegeling van haar oma's gebarsten dodenmasker.
In haar hand hield ze losjes haar paternoster. Donker starend in een zuigende diepte doorwaadde ze de joelende bende, een abrupt spoor achterlatend van hortende stiltes.
Traag duwde zij de poort open. Een plotselinge paniek brak in me los.
"Saartje... wacht even!"

Ze bleef even roerloos staan. Een helse eenzaamheid straalde van haar rug af en dompelde me in een ijskoud vacuüm.
Lieve deugd! Wat kon ik haar in godsnaam zeggen?
"Saartje! Het spijt me zo verschrikkelijk! Ik… ik zal hier op je wachten…"

Met een rilling leek ze schichtig in mekaar te krimpen tot een slap hoopje verdriet. “Wachten?... Jij?", mompelde zij tegen de deur.
Als vanuit een half vergane voddenpop wolkten de woorden stoffig en doelloos in het rond.
"Veertien jaar heb ik gewacht op haar... veertien jaren lang... gewacht, gebeden, gesmeekt... "
Ze draaide zich om en keek me verbitterd aan.
"En dan kom jij op de proppen hé?"

Behoedzaam deed ze een stapje in m'n richting. Met groeiend wantrouwen nam ze me intens op en plots spuugde zij me cynisch het bijtend gif van al die jaren in m'n gezicht.
"Gij gore pretentieuze klootzak! Wie denk je wel dat je bent?! Een derderangs nep-'terminator' misschien?!!! Kon je ons niet eens de tijd geven om van mekaar afscheid te nemen?! Je denkt toch zeker niet dat mijn oma hier al die jaren op jou heeft zitten wachten! Je droomt makker! D'r heeft niemand je wat gevraagd, hoor je! Hoepel op!! Maak dat je wegkomt! Verdwijn uit m'n leven, stuk verdriet!!!"

En uitzinnig van woede smeet ze me de paternoster naar het hoofd.

0

Ik kreeg een black-out. Van de volgende uren kan ik me niks meer herinneren. Blijkbaar had ik m'n gezicht ergens in Mik's voorkasteel begraven en ben onbedaarlijk beginnen te wenen, schreien, huilen, kermen, janken, grienen, snotteren...

Uiteindelijk hef ik m'n gezicht van de met snot en tranen doorweekte trui en merk dat ik tegen haar aanleun op de gebarsten leren bank naast het raam in 'Chez José’.

Bram ligt op m'n schoot te snurken. Mik heeft de geredde foto’s uit José’s album op het tafelblad te drogen gelegd, samen met de paternoster.
Nu zit zij helemaal terug geïsoleerd in zichzelf. Vreemd hoe haar kolossale omhulsel zulk een afwezigheid kan uitstralen.

Ik staar naar het rozenhoedje en tracht tevergeefs me de warmte in gedachte te brengen van de gebedenkrans waar ik vol liefde mee ben opgegroeid.
Maar het gouden kruisje heeft z’n glans verloren, samen met al m’n herinneringskralen.

Ik weet eigenlijk niet meer waar ik vandaan kom.

Vanuit m'n jaszak vis ik Martha's verkreukelde brief, lees hem nog een keer door en kijk lang naar de foto van Tom en Saartje.
Eén voor één neem ik afscheid van de brief, de foto, het kartonnen visitekaartje, de rozenkrans en leg alles samen met José's sleutel op de gekraste tafel.

Hier heb ik niks meer te zoeken.

Voorzichtig kus ik Bram zachtjes wakker. Hij kijkt me geeuwend aan.
"Wil jij voor Saartje zorgen, Bram?", fluister ik hem toe. "Binnenkort verjaart ze weet je, en zonder jou is ze heel alleen."
Z'n oogjes zijn alweer dichtgevallen. Ik til hem van m'n schoot en nestel hem veilig weg, ergens tussen Mik's zachte rondingen.

Tenslotte werp ik nog een laatste blik op het allegaartje van wat als een innige belofte was begonnen.
Ik trek de buitendeur open en kijk verweesd naar het tulpenhuis aan de overkant van de straat.

Waar naartoe? Slechts de lege nacht wacht me op.

De schel schampert kort en fel, als een flipperkast die me eruit knikkert.